Er wordt van de brandweer terecht een hoge kwaliteit van dienstverlening verwacht. Om deze kwaliteit te kunnen leveren wordt er bij de brandweer veel tijd besteed aan opleiding en oefening. 

Opleiden
De opleidingen voor de brandweer zijn in het hele land hetzelfde. Of je nu bij de brandweer Maastricht, Amsterdam of in Bergen werkt, overal wordt volgens dezelfde systematiek gewerkt. Dat is vooral belangrijk omdat brandweerkorpsen veel met elkaar samenwerken bij grote incidenten. Ook is er geen verschil in de opleiding tussen beroepskrachten of vrijwilligers.

De basisopleiding bij de brandweer is de opleiding brandwacht. Deze duurt ongeveer één seizoen (september t/m juni) één avond per week. Daarna volgen de opleidingen brandwacht 1e klas en hoofdbrandwacht. Deze duren ook eveneens één seizoen. Daarna kunnen, afhankelijk van de korpsbehoefte en de interesse van het korpslid, specialistische opleidingen worden gevolgd, zoals chauffeur / pompbediener, duiker of verkenner gevaarlijke stoffen hulpverlener. Iedere brandweerman- of vrouw is minimaal nog één seizoen bezig met het volgen van deze opleidingen. Voor de medewerkers die de leidinggevende functie bekleden van bevelvoerder is een extra opleiding nodig. Deze duurt drie seizoenen en omvat onderwerpen als verbranding en blussing, gevaarlijke stoffen, materieel en sociale vaardigheden. Het is in Nederland alleen toegestaan een bepaalde functie te vervullen, als je daar ook het diploma voor hebt behaald. Zo wordt de kwaliteit bij de brandweer gegarandeerd.

Oefenen
Na de verplichte brandweeropleidingen heeft iedere brandweerman een basisniveau van kennis en vaardigheden. De opgedane kennis moet echter continu onderhouden en uitgebreid worden. Regelmatig oefenen is dan ook noodzakelijk om het basisniveau en de vaardigheden van ieder brandweerman minimaal op het gewenste niveau te houden. Maar  belangrijker is het, mede gezien de steeds sneller voortrazende technieken, om het niveau en vaardigheden op een hoger pijl te brengen. Tevens helpt oefenen om de samenwerking tussen en de coördinatie met andere hulpverlenende diensten te optimaliseren. De brandweer treed bijna altijd op in combinatie met één of meer  hulpverlenende diensten, zoals de ambulancedienst en/of politie. Dit is ook de reden dat er regelmatig in groter verband wordt geoefend en waarbij de genoemde organisatie ook steeds vaker bij de oefeningen betrokken worden.

De laatste jaren is ook de Arbo-wet voor de brandweer aangescherpt. Dit houdt onder andere in dat de brandweer nog meer de aandacht moet besteden aan het veilig werken in alle omstandigheden en met alle materialen. Een gevolg hiervan is dat de brandweer in het geval dat er iets mis gaat, aan moet kunnen tonen dat ieder brandweerman- of vrouw goed geoefend is in de vaardigheden en het gebruik van het toch vaak specialistisch gereedschap.


Door het NIBRA (Nederlands Instituut voor Brandweer en Rampenbestrijding) is een zogenaamde “leidraad Oefenen” opgesteld. In deze leidraad staan alle soorten oefeningen uitvoerig omschreven. Omschreven staat onder andere voor wie de oefening bestemd is, wat de vaardigheden zijn, wat de aandachtspunten zijn, wat de valkuilen zijn enzovoort. Ook staat er omschreven hoeveel tijd iemand per jaar aan een oefening dient te besteden. Deze leidraad ondersteund de brandweerkorpsen in het opzetten en uitvoeren van oefeningen

Met behulp van deze “leidraad Oefenen” is een oefenrooster opgesteld waarbij een evenwichtige verdeling is gezocht in de oefeningen voor zowel de basistaken als voor de specialistische taken. Deze oefeningen zijn in principe op de maandag- en dinsdagavond waarbij de voorkeursavond van de leden gerespecteerd wordt.